Vul hieronder uw email adres in:

MKB Actueel

Donderdag, 16 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 16 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 16 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 09 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 09 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 09 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 09 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 02 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 02 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 02 Jul 2026 05:00:00
Donderdag, 25 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 25 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 25 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 18 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 18 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 18 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 18 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 18 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 18 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 11 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 11 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 11 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 11 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 04 Jun 2026 05:00:00
Donderdag, 04 Jun 2026 05:00:00

Vestiging tweede hypotheek is aanleiding voor aansprakelijkheid voor belastingschuld

Donderdag, 16 Jul 2026 05:00:00

Een holding en haar dga worden aansprakelijk gesteld voor een btw-schuld van een dochter-bv van de holding. De btw-schuld bedraagt ruim een miljoen euro. Zij bestrijden de aansprakelijkstelling met als standpunt dat de schuld zou zijn verjaard. Hoe oordeelt het hof?

Tweede hypotheek voor de holding

Een bv heeft een aantal panden gekocht voor de ontwikkeling van een vastgoedproject. De aankoop is gefinancierd met een hypothecaire lening van een bank. De gemeente wijzigt het bestemmingsplan, waardoor het project niet doorgaat en de waarde van de panden daalt. De bv lost vervolgens niet meer af op de schuld aan de bank. De bank is bereid het krediet voort te zetten op voorwaarde dat de bv een nieuwe eigenaar krijgt. De holding koopt de aandelen in de bv voor één euro en neemt een vordering van de oude aandeelhouder op de bv van € 1,5 miljoen over voor eveneens één euro. De holding wordt bestuurder van de bv. De bv vestigt een tweede hypotheek op de panden ten gunste van de holding. De bv gaf hiermee voor een extra kredietruimte van twee ton voor € 1,76 miljoen aan zekerheid. Na verkoop van de panden ontvangt de holding als tweede hypotheekhouder ruim een miljoen euro. De btw op de verkoop van bijna € 1,25 miljoen wordt niet afgedragen. De ontvanger van de Belastingdienst stelt de holding en haar dga aansprakelijk.

Beroep op verjaring

De holding en de dga stellen dat de belastingschuld is verjaard. Het dwangbevel dateert van april 2016 en gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar zou de verjaringstermijn van de belastingschuld in 2021 zijn verstreken. Dit is ruim voordat de ontvanger in 2024 een stuitingsbrief verstuurde. Volgens de ontvanger is de verjaring tussentijds gestuit doordat de bv de schuld heeft erkend. Het hof oordeelt dat de holding en de dga als de bestuurders van de bv de schuld meermaals hebben erkend.

Terecht aansprakelijk

Het hof oordeelt dat de holding en haar dga terecht aansprakelijk zijn gesteld voor de omzetbelastingschuld van de bv. De bv heeft haar andere schuldeisers, waaronder de Belastingdienst, benadeeld door de vestiging van de tweede hypotheek. Ook is de vordering van de holding en haar dga daardoor aanzienlijk in waarde toegenomen. Het hof merkt dit aan als kennelijk onbehoorlijk bestuur.



Turboliquidatie biedt geen bescherming tegen navordering ab-heffing

Donderdag, 16 Jul 2026 05:00:00

Een vrouw houdt 20% van de certificaten in een holding. De werkmaatschappij wordt geturboliquideerd en de onderneming gaat over naar haar vader als eenmanszaak. Niemand geeft inkomen uit aanmerkelijkbelang aan. Jaren later legt de inspecteur navorderingsaanslagen op. De dochter stelt dat de turboliquidatie betekent dat er geen baten waren en dus geen ab-inkomen. De rechtbank verwerpt dit betoog.

Van bv naar eenmanszaak

Vader drijft zijn onderneming via een werkmaatschappij onder een holding, waarvan hij veertig certificaten heeft. In 1994 schenkt hij zestien certificaten aan zijn twee kinderen, elk acht. De dochter heeft daarmee 20% en dus een aanmerkelijk belang. Per 1 januari 2018 wil vader de onderneming voortzetten als eenmanszaak. De werkmaatschappij wordt ontbonden via turboliquidatie. Een snelle beëindiging zonder vereffening, mits er geen baten zijn. De boekhouder gaat uit van een geruisloze terugkeer, maar vraagt geen beschikking aan. In de aangiften inkomstenbelasting 2018 wordt geen ab-inkomen aangegeven, terwijl liquidatie normaal leidt tot een vervreemdingsvoordeel.

Vermogenssprong roept vragen op

De inspecteur legt in juni 2019 de aanslagen 2018 op conform de aangiften. In december 2019 meldt de werkmaatschappij in haar aangifte vennootschapsbelasting dat zij is ontbonden. Bij controle blijkt dat geen beschikking geruisloze terugkeer is aangevraagd en dat er een vordering van ruim twee ton op vader bestond. Die vertegenwoordigt waarde voor de certificaathouders. De inspecteur vennootschapsbelasting attendeert zijn collega van de inkomstenbelasting en in oktober 2023 volgen navorderingsaanslagen. De dochter en haar fiscaal partner moeten elk over € 22.246 aan ab-inkomen afrekenen.

Nieuw feit of ambtelijk verzuim?

De dochter betoogt primair dat de inspecteur niet mag navorderen. De ontbinding was immers geregistreerd bij de Kamer van Koophandel en haar certificaathouderschap was bekend. Bovendien had de vermogenssprong van twee ton in de aangifte van vader, waar de schuld aan de bv verdween, de inspecteur moeten alarmeren. De rechtbank verwerpt beide stellingen. De aangifte vennootschapsbelasting waarin de ontbinding werd vermeld, is pas ingediend nadat de aanslagen inkomstenbelasting waren opgelegd. De vermogenssprong bij vader schept geen onderzoeksplicht voor de aangiften van de dochter. Er is dus een nieuw feit.

Turboliquidatie zonder baten?

Volgens de dochter betekent turboliquidatie dat er geen baten zijn en dus geen uitkering. De rechtbank maakt korte metten met dit betoog. Een turboliquidatie is slechts toegestaan als er geen baten meer zijn, maar dat betekent niet dat er ook daadwerkelijk geen baten waren. De vordering op vader wijst op waarde. Hoe die is verdwenen, blijft onduidelijk. De dochter levert geen bewijs. De gemachtigde geeft ter zitting toe dat het 'gegis' is hoe een en ander is afgewikkeld. De rechtbank volgt daarom de berekening van de inspecteur en handhaaft de navorderingsaanslagen.



Aftrek geweigerd omdat huurovereenkomst niet aan eisen voldoet

Donderdag, 16 Jul 2026 05:00:00

Een ondernemer huurt sinds 2016 een aantal bedrijfsruimtes in een pand. De verhuurder brengt btw in rekening op basis van een afspraak over belaste verhuur. Kort daarna begint de ondernemer delen van het pand door te verhuren aan derden. Bij deze onderverhuur wordt in de huurovereenkomsten expliciet opgenomen dat geen btw over de huur wordt gerekend. In 2017 adviseert een nieuwe accountant de ondernemer om toch btw te berekenen over de onderverhuur. De ondernemer laat zijn onderhuurders per e-mail weten dat vanaf 1 juli 2017 btw in rekening wordt gebracht. Deze aanpassing wordt echter niet vastgelegd in nieuwe huurovereenkomsten. 

Correcties

In 2021 start de Belastingdienst een boekenonderzoek naar de aangiften van de ondernemer over de periode 2016 tot en met 2018. Het onderzoek brengt verschillende tekortkomingen aan het licht, waaronder een verschil tussen aangiften en administratie (aansluitverschillen) en een onterechte aftrek van voorbelasting voor het pand. In 2022 stuurt de Belastingdienst naheffingsaanslagen over 2017 en 2018, met correcties voor deze punten.

Belaste verhuur en aftrekrecht

Voor belaste verhuur is vereist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor doeleinden waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van omzetbelasting bestaat. Ook moeten verhuurder en huurder dit schriftelijk zijn overeengekomen of gezamenlijk een verzoek hebben ingediend bij de inspecteur. De rechtbank stelt vast dat de huurovereenkomsten met de onderhuurders expliciet vermelden dat geen omzetbelasting in rekening wordt gebracht. De ondernemer heeft niet aannemelijk gemaakt dat partijen voor belaste verhuur hebben gekozen of een gezamenlijk verzoek hebben ingediend.

Geen aftrek

Omdat de onderverhuur vrijgesteld is van omzetbelasting, gebruikt de ondernemer het pand niet voor prestaties waarvoor een volledig of nagenoeg volledig recht op aftrek van voorbelasting bestaat. Hierdoor kon de ondernemer het pand niet met een optie voor belaste verhuur huren van de bv. De ondernemer heeft daarom geen recht op aftrek van deze voorbelasting. De correcties van de inspecteur zijn terecht.



© Copyright 2026 www.hakaa.nl. Alle rechten voorbehouden. Powerd by NAM-CMS. Ontwerp & Realisatie: NetandMore Rotterdam
[ sitemap ]